Wittgenstein en de ontdekking van de taal
Van afbeeldingstheorie naar taalspel
Deze verhandeling reconstrueert de ontwikkeling van Ludwig Wittgensteins taalfilosofie. Waar de vroege Wittgenstein in de Tractatus Logico-Philosophicus een afbeeldingstheorie van betekenis verdedigt, breekt de late Wittgenstein in de Philosophische Untersuchungen radicaal met dit model. Betekenis wordt niet langer begrepen als referentie, maar als gebruik binnen taalspelen, ingebed in levensvormen. De tekst belicht zowel de breuk als de continuïteit in zijn denken en onderzoekt de verstrekkende gevolgen voor ons begrip van waarheid, ethiek en werkelijkheid.
Inleiding: Taal als centraal thema
Met Wittgenstein begint een nieuw tijdperk in de westerse filosofie. Waar Kant zich nog afvroeg wat de grenzen van het kennen zijn, verschuift Wittgenstein de vraag naar de grenzen van de taal. Taal is niet langer een neutraal medium dat de werkelijkheid beschrijft, maar bepaalt veeleer wat er gezien, gedacht en gezegd kan worden. In zijn werk vinden we niet één, maar twee fundamenteel verschillende antwoorden op de vraag hoe taal en werkelijkheid zich tot elkaar verhouden. Deze verhandeling reconstrueert die ontwikkeling.
Wittgenstein I: De Tractatus Logico-Philosophicus
Project en methode
Het vroege werk van Wittgenstein staat in het teken van het logisch atomisme, een theorie die hij ontleent aan Bertrand Russell. De centrale vraag is: Hoe kan taal betekenen? Hoe kunnen woorden en zinnen verwijzen naar de wereld? Wittgenstein antwoordt met een afbeeldingstheorie (picture theory of meaning): een zin is betekenisvol wanneer hij een mogelijke stand van zaken in de werkelijkheid afbeeldt.
De werkelijkheid bestaat volgens Wittgenstein uit feiten, niet uit dingen. Feiten zijn combinaties van objecten (standen van zaken). Taal bestaat uit proposities, die zijn opgebouwd uit namen. De structuur van de propositie moet de structuur van het feit weerspiegelen. Betekenis is hier referentie: de betekenis van een naam is het object dat hij benoemt.
De afbeeldingstheorie
“Een propositie is een afbeelding van de werkelijkheid.” ()
Wittgenstein benadrukt dat deze afbeelding niet letterlijk moet worden begrepen: een propositie lijkt fysiek niet op de werkelijkheid. Wat ze delen is dezelfde logische vorm. Zoals een partituur dezelfde logische structuur heeft als een muziekstuk, en een landkaart dezelfde logische opbouw als een landschap, zo deelt de propositie haar logische vorm met het feit dat zij afbeeldt.
| Taal | Wereld |
|---|---|
| Namen | Dingen |
| Elementaire proposities | Standen van zaken |
| Complexe proposities | Feiten |
De grenzen van het zegbare
Deze theorie heeft vérstrekkende gevolgen. Alleen empirische uitspraken die een mogelijke stand van zaken afbeelden, zijn zinvol. Filosofie, ethiek, esthetiek en religie vallen buiten dit domein. Zij beelden niets af en zijn daarom onzin (unsinnig).
Tautologieën (altijd waar) en contradicties (altijd onwaar) zijn zinloos (sinnlos): ze zeggen niets over de wereld, maar tonen de structuur ervan. Ze vormen de logische ruggengraat van de taal zonder zelf cognitieve inhoud te dragen.
Ethiek en het mystieke
Wittgenstein trekt deze lijn consequent door. Waarden kunnen niet in de wereld liggen, want dan zouden ze toevallig zijn. De zin van de wereld moet buiten haar liggen.
“De zin van de wereld moet buiten haar liggen. In de wereld is alles zoals het is en gebeurt alles zoals het gebeurt; er is in de wereld geen waarde […]” ()
Daarom bestaan er geen ethische volzinnen. Ethiek is transcendentaal en laat zich niet uitspreken. Wat zich niet laat zeggen, toont zich – dit noemt Wittgenstein het mystieke. De beroemde slotzin van de Tractatus vat dit samen:
“Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” ()
Probleem: ethiek zonder rede
Hoewel Wittgenstein het zwijgen over ethiek niet als minachting bedoelt – integendeel, het onzegbare is het hogere – rijst hier een fundamenteel probleem. Als waarden zich slechts tonen en niet zeggen laten, is er geen zinvolle communicatie over ethiek mogelijk. Redengevende gesprekken over goed en kwaad worden onmogelijk. Wat rest is louter aanschouwende ontvankelijkheid. De vraag is of ethiek zo niet haar intersubjectieve grondslag verliest.
Wittgenstein II: De Philosophische Untersuchungen
Breuk met het verleden
Postuum verschijnt in 1953 de Philosophische Untersuchungen. Hierin neemt Wittgenstein afstand van zijn eigen Tractatus. De afbeeldingstheorie wordt verworpen, niet omdat ze onjuist is, maar omdat ze reductionistisch is. Taal heeft niet één functie (beschrijven), maar talloze functies. En betekenis is geen kwestie van referentie, maar van gebruik.
“Men kan voor een grote klasse van gevallen van de benutting van het woord ‘betekenis’ – al is niet voor al zijn gevallen – dit woord zo verklaren: de betekenis van een woord is het gebruik ervan in de taal.” ()
Het taalspel
Wittgenstein introduceert het begrip taalspel (Sprachspiel). Een taalspel is een specifiek, regelgeleid gebruik van taal binnen een bepaalde context. Taal is geen afbeelding, maar een activiteit, verweven met handelingen. De betekenis van een woord is niet het object waarnaar het verwijst, maar de rol die het speelt in het taalspel.
In § 23 van de Onderzoekingen geeft hij een lange, open lijst van taalspelen:
“Bevelen, en op bevel handelen – Beschrijven van een voorwerp, of van zijn uiterlijk – Een voorwerp maken aan de hand van een beschrijving of tekening – Rapporteren – Gissen naar een toedracht – Hypothese opstellen en toetsen – Resultaten van een proef weergeven – Een verhaal verzinnen – Toneelspelen – Liedjes zingen – Raadsels oplossen – Een grap vertellen – Rekenen – Vertalen – Verzoeken, danken, vloeken, groeten, bidden.” ()
Geen van deze taalspelen is fundamenteler dan de andere. Ze zijn allemaal even legitieme vormen van taalgebruik.
Familiegelijkenissen
Een tweede breuk met de Tractatus betreft de essentie van taal. Wittgenstein stelt nu dat alle verschijnselen die we ‘taal’ noemen geen gemeenschappelijke kern hebben. Ze vertonen onderlinge verwantschappen, zoals leden van een familie.
“Ik kan deze gelijkenissen niet beter karakteriseren dan met het woord ‘familiegelijkenissen’; want zo overlappen en kruisen de verschillende gelijkenissen tussen de leden van een familie elkaar: bouw, gelaatstrekken, kleur van de ogen, manier van lopen, temperament, etc. etc. – En ik zal zeggen: de ‘spelen’ vormen een familie.” ()
De filosofie moet niet langer zoeken naar het wezen van de taal, maar verwantschappen beschrijven.
Levensvormen
Taalspelen staan niet op zichzelf. Ze zijn ingebed in levensvormen (Lebensformen): het geheel van talige en niet-talige praktijken dat leden van een gemeenschap delen. De levensvorm is de vooronderstelde achtergrond waarbinnen taal pas betekenis krijgt. Wie een andere levensvorm deelt, speelt andere taalspelen en leeft in een andere realiteit.
Een treffend voorbeeld is het woord aula:
- Voor een student: plaats van colleges en examens
- Voor een docent: werkplek, spreekgestoelte
- Voor een architect: ontwerp, stijlperiode, constructie
- Voor een historicus: getuige van academische geschiedenis
- Voor een poetsvrouw: vloer die gedweild moet worden
Er is geen taalspelonafhankelijke, ‘eigenlijke’ betekenis. De betekenis is het gebruik in de praktijk.
Consequenties
De gevolgen van dit model zijn ingrijpend:
- Waarheid is taalspelafhankelijk
- Kennis is taalspelafhankelijk
- Werkelijkheid is taalspelafhankelijk
- Wetenschap is één taalspel naast andere
Er bestaat geen archimedisch punt, geen neutraal, objectief standpunt vanwaaruit de werkelijkheid ‘zoals ze werkelijk is’ kan worden beschreven. Wie denkt de wereld te beschrijven, beschrijft altijd al een wereld-in-een-taalspel.
Synthese: Van logica naar praktijk
De overgang van Tractatus naar Onderzoekingen is radicaal, maar niet zonder continuïteit. In beide periodes staat taal centraal in de filosofie. Wat verandert, is de opvatting van wat taal is en doet.
| Tractatus (1921) | Onderzoekingen (1953) | |
|---|---|---|
| Taalopvatting | Taal beeldt af | Taal is instrument |
| Functie | Eén functie: beschrijven | Talloze functies |
| Betekenis | Betekenis = referentie | Betekenis = gebruik |
| Essentie | Essentie van taal | Familiegelijkenissen |
| Structuur | Logische structuur | Taalspelen |
| Werkelijkheid | Eén werkelijkheid | Meerdere realiteiten |
De vroege Wittgenstein zoekt naar de logische orde die taal en wereld gemeenschappelijk hebben. De late Wittgenstein daarentegen beschrijft de bonte verscheidenheid van taalgebruik zonder deze te willen herleiden tot één principe. Filosofie wordt geen theorie, maar een therapie: ze bevrijdt ons van het verlangen naar een allesverklarend systeem.
Besluit
Wittgensteins ontwikkeling is exemplarisch voor de twintigste-eeuwse filosofie. Ze markeert de overgang van een logisch-fundationalistische benadering naar een pragmatische en contextualistische visie op taal en betekenis.
De Tractatus biedt een elegant, maar restrictief model: betekenisvolle taal is afbeelding, en wat zich niet laat afbeelden, moet zwijgen worden opgelegd. Maar dit zwijgen dreigt ethiek en esthetiek tot een domein van louter mystieke aanschouwing te maken, ontoegankelijk voor rationele dialoog.
De Philosophische Untersuchungen openen een rijker perspectief. Taal is niet langer gevangen in één functie, maar spreidt zich uit over een veelheid aan praktijken. Betekenis is geen verborgen essentie, maar zichtbaar gebruik. En de werkelijkheid is niet één, maar pluraliseert mee met de taalspelen en levensvormen waarin ze ter sprake komt.
Wie Wittgenstein leest, leest geen systeembouwer, maar een denker die voortdurend in gesprek is met zichzelf. Zijn werk is geen monument, maar een beweging – van de eenzaamheid van de logica naar de veelstemmigheid van het gewone leven.
Bibliografie
Wittgenstein, L. (1922). Tractatus Logico-Philosophicus. London: Kegan Paul.
Wittgenstein, L. (1953). Philosophische Untersuchungen / Philosophical Investigations. Oxford: Blackwell.